Een familiesprookje...
Lang geleden woonde in de verre stad Voetgooi een donker knap meisje: Zabrila. Op zekere avond kregen haar ouders een paniekerige telefoon: “Pa, ma, kom vlug naar huis! ’t Brandt hier en er zit er ene op het dak!”
Pa, ma, halsoverkop naar huis, en wat denk je? Niks aan de hand! Geen brand, geen vent op het dak!
Het ongenoegen was groot, langs beide kanten! “Wat denktewel, ons zo doen verschieten!” enne, “Ik ben het beu alleen thuis te moeten blijven! Ik wil een man, anders loop ik in Voetgooi rond met een pispot op mijn hoofd en maak jullie zo te schande!”
En zo gebeurde dat er in alle kranten van het land een aankondiging werd gezet.
Uit de talrijke antwoorden werd een jongeling gekozen, een boerenprins, een minstreel, gezond van lijf en leden. Een jaar lang stuurden ze elkander minnebrieven en kozen toen voor elkaar, voor het leven!

Even nog was het twijfelen, op Valentijn of was het Nieuwjaarsdag? Zabrila had pantoffeltjes als geschenk verpakt en wachtte op een prinsengift. In Boerenland had men daar nog nimmer van gehoord! Prins Konstantijn verscheen met lege handen!
Maar alras werd ’t bijgelegd en in de mooie maand april werden de huwelijksklokken geluid. Het paar vestigde zich in Ganzerik en begon zijn gezamenlijk leven…………
Toen een jaar verstreken was: een nieuwe lente, een nieuw geluid, een eerste spruit! Zabrila’s ma was verrukt: “’t Kind heeft mijn hart gestolen! Zo mogen er nog vijf komen!” Zo kreeg ze haar naam: Hartendief.
Diefje sliep als een roos in een kartonnen doos en groeide voorspoedig.
Ze vertrokken voor een korte vakantie naar ’t Boerenland, maar moesten spoorslags terugkeren. Diefje schreeuwde moord en brand, ze kon niet aarden op het land.
Kort daarna stierf de papa van Konstantijn.
Zabrila en Prins Konstantijn bouwden een paleis aan de rand van Ganzerik, begrensd door weiden en landerijen.
Het paleis kwam klaar, en hun tweede kind was daar: weerom een prinsesje, en zo duidelijk een prinsesje dat ze er geen betere naam voor vonden. Dus werd het: Sesje.
Het leven kabbelde voort, de kindjes werden groot. Zabrila bestierde het huishouden, prins Konstantijn verdiende zijn brood met het opluisteren van het Lof en de Hoogmis.
Midden in de winter werd hun kroonprins geboren en ze voelden zich héél gelukkig… Hij werd hun oogappel, hun Boontje.

Konstantijn bracht Diefje naar de kleine school in de buurt. Het verdriet was groot, het afscheid hartverscheurend. Maar allengs wende ze eraan, al was het niet van harte.
Thuis was het immers zo gezellig, zeker nu een vierde kindje haar intrede had gedaan. Zabrila dacht: dit wordt mijn troetelkindje, mijn knuffelpopje, mijn koeketiene… ik noem haar Koekske.
Elke dag werd het Onzevader gebeden en wie stout was moest dit nog eens extra doen voor het Heilig Hart onder een glazen stolp. De inspecteur kwam op bezoek en Diefje moest vooraan in de klas het gebed opzeggen. Wat had ze toch misdaan?
Eindelijk was de grote dag ook voor Boontje aangebroken. Diefje had de juf reeds grondig voorbereid en beweerde dat haar broertje bij haar in de klas moest. Hij zou anders eenzaam zijn en hij was nog zo klein.
Op een zondag: geen tram! Geen Mis, dat werd vast een doodzonde! Zabrila lachte dit weg, en samen genoten ze van de praalstoet, Diefje hoog op de schouders van een vreemde man.
Sesje deelde een snoepje met Diefje. Die stak het onbekommerd in haar mond. Tot ze verstarde. Ze moest nog te communie! Holderdebolder rende ze naar huis, zonder nadenken. Haar mama wist wel raad. En inderdaad, ze suste, het kon geen kwaad!
Tja die Mis, een plechtige bedoening. Streng ook, met vaste regels. Vooraan meneer pastoor met kazuifelgewaad, zijn rug naar het volk gedraaid. Met open armen bad hij in ’t Latijn.
Ze knielden op de hoge kerkstoelen, met harde rieten zitting. Maar echt zitten mochten ze pas bij de preek, die was gelukkig wel in het Vlaams.
Het lichaam van Onze Heer ontvingen ze knielend op de fluwelen communiebank. Hun handen maakten een tafeltje onder het kanten kleedje, en ingetogen werden ogen gesloten en de tong uitgestoken. Ja, zo moest dat!
Maar vóór de Eucharistie diende men zich drie uur te onthouden van spijs en drank.
De zomer lag in ’t verschiet en Zabrila en Konstantijn vertelden verhalen over de zee. Daar mochten Sesje en Diefje voor een poosje heen. Ze dansten van blijde verwachting. Dat het maar vlug vakantie was!
Voor het vertrek brachten ze nog een doopjurk naar het ziekenhuis. Er was immers een nieuw zusje geboren, een parel van een kind, een glinsterende edelsteen, met vele donkere zijden haartjes. Een naam lag voor de hand: Steentje!

Met vele andere kinderen namen Diefje en Sesje de trein, opgewonden en vrolijk. Onbegrijpelijk dat er heel wat huilden, allé, ze gingen naar de zee!
In het vakantieoord moesten ze in rijen staan, het leek zo eng, prompt stroomden de waterlanders bij Diefje, en van de weeromstuit ook bij Sesje. Even paniek toen ze niet in dezelfde groep bleken te zitten, maar dit werd toch rechtgezet.
De monitrices deelden uniformen uit. In de slaapzaal werd de temperatuur genomen. De lichaamstemperatuur wel te verstaan. En niet onder de oksel, zoals bij Zabrila thuis, maar in de poep! Dit zou een dagelijks ritueel worden, waarmee de middagrust werd ingeluid.
Elke zaterdag werden de uniformen vooraan in de slaapzaal op een hoopje gegooid, voor de was, en owee wie een beschilderde onderbroek had! Wat een schande! Daarna gingen de kinderen naar de badzaal, elk in een douchehokje. Onhandig en angstig probeerde Diefje haar blootje te verstoppen.
Wie ziek was vloog naar de ziekenboeg. En o ramp, daar sliep men op zijn buik, verplicht! Het was ook huiveren voor de spuitjes. Enge verhalen deden de ronde.
Wie te dik werd, moest naar de dieettafel en zag alle lekkere dingen aan zijn neus voorbijgaan. Geen pudding, geen frieten, geen suiker…
Eenmaal gingen ze naar het strand, toen Konstantijn op bezoek kwam. Wat een heerlijke dag, hij vloog voorbij.
Hij vertelde over de nieuwe baby, die ze zich niet meer herinnerden. En over Koekske die gestoken was door een bij. En van Boontje en zijn driewieler.
En waarom antwoordde Diefje niet op de vragen in zijn brief? Ze kon toch lezen en schrijven? Tja, de brief werd voorgeschreven op het bord, vandaar.
Eindelijk kende de vakantie een einde en keerden ze terug naar hun paleis in Ganzerik. Sesje en Diefje kregen een pop. Sesje weende: ik zal het nooit meer doen, ik zal braaf zijn!
Het was vreemd, Koekske en Boontje waren zo veranderd. En Steentje was er nu ook.
Diefje ging naar de Grote School nu. Samen met kinderen in de buurt. Het was meer dan een half uur stappen.
Sesje zou dit jaar leren lezen en schrijven.
Koekske en Steentje bleven nog lekker bij Zabrila thuis. Alles was anders, want bij het middagmaal ontbrak één kind. Het at op school.
Even pantomime op de Grote School toen meegedeeld werd dat Diefje ook in de Studie blijven mocht. Geen sprake van, ze was al zo lang van huis. Ze kreeg nog een week respijt.
De Grote School. Hoge kille klassen. In de winter brandde de kachel. Hij stond centraal in de klas. Wie dichtbij zat, smolt zowat, wie wat verderaf zat, had het niet echt warm.
De tree. Daar troonde de juf. Wie ondeugend was moest op de tree neerknielen. Handen op het
Boontje dreunde thuis een gedichtje over muizen op: Op de tree zit er een, op de stoel zit er geen enkelen geen BOEM! Later zou Koekske dit meedreunen, nu was ze nog te klein.
Met monsterlijk dikke priemen toonde juf voor hoe te breien. Er werd heel wat afgebreid in de Grote Lagere School: wanten, washandjes, sjaals, onderbroeken met rechte pijpen en met schuine pijpen, handschoenen mèt vingers, sokken en lange kousen, babysokjes en -hemdjes… Ook naaien was aan de orde: stukken inzetten op verschillende wijzen, kruisjessteek, borduren, festoensteek, en nog veel meer.
Jongens waren beter af, die mochten timmeren: nagels inkloppen, figuurzagen, enzovoort.
De catechismus diende goed te worden ingestudeerd. Zabrila ondervroeg hen regelmatig. “Wat is het teken van de Christen Mens? ……… Het teken van de Christen Mens is het kruisteken”. Er waren vragen voor elk studiejaar. De vragen met een sterreke waren moeilijke, voor de hogere leergangen.
Zabrila vertrok op pelgrimstocht naar Lourdes en bracht geschenkjes mee. Helaas had de juf van het vierde leerjaar haar ter plekke geadviseerd geen pennenstok met een bewegend tafereeltje te kopen. Dat leidde maar af in de les. Dat beloofde voor volgend jaar! Het waren nochtans prachtige, Diefje kende ze wel, met een platte steel, en een Lievevrouwke ingebouwd. Wat een pech!
De juf van het vierde was al oud. En niet getrouwd. Dat mocht ook niet. Toen.
Ja in die tijd schreef men nog niet met vulpen, althans niet in de klas. Daar zat men aan een bank met ingebouwde inktpot. Heel verleidelijk, om vlechten in te dopen.
Later was Diefje trouwens heel boos op haar grootmoeder, haar meter. Voor Nieuwjaar kreeg ze een pop met een porseleinen kop, net als haar zus Sesje. Haar pop was echter kapot, van de trap gevallen, zei Zabrila’s ma. Hoe wist ze dan dat het hààr pop was. Het had ook die van Sesje kunnen zijn! Ze was toch hààr petekind!!
Hij had het ook over Michaël Strogoff, de koerier van de tsaar en de wedervaardigheden van Winnetou en Old Shatterhand.
En als er één ziek was, en toevallig had het gesneeuwd, dan vulde hij buiten een bassin met het ijskoude goedje, en werden in de woonkamer sneeuwballen gefabriceerd!
Verstoppertje spelen was ook populair. Konstantijn verstopte zich onder de matras. Maar zo’n hoog bed viel echt wel op.
Hij werd vertroeteld door Zabrila en kreeg de lekkerste hapjes. Een hele reep Zero bijvoorbeeld. Of frieten à volonté.
Het paleis werd verbouwd.
Eerst kwam er centrale verwarming. De ketel zou in de veranda staan, de tank onder de grond. Daarboven kwam een rozenbed.
Gedaan met die zwarte stoof. Weg die kolen! Wat nu met het kolenkot?
Van de zolder werden vijf kamertjes gemaakt. Ieder zou zijn eigen plekje krijgen. Langzaam zagen de kinderen de tweede etage groeien. Sesje wist: die kamer links is voor mij, de middelste is voor Diefje en de rechtse voor Koekske.
Zabrila verklapte een geheim aan Diefje: in november zou er een nieuw kindje komen. Maar ze moest het stilhouden.
Twee jaar voordien had Diefje namelijk een rel ontketend op school. Haar vriendinnen vroegen zich af hoè kinderen nu geboren werden: van voor of van achter? Diefje zou dit wel aan Zabrila vragen.
Plompverloren stelde ze haar vraag tijdens het avondmaal. Diskreet werd verwezen naar de avonduren. Dan zou uitleg worden verschaft. Als een papa en een mama elkaar héél graag zagen dan kon er een kindje komen. Dat groeide dan in de buik van de mama. Diefje kréég haar antwoorden, maar mocht ze niet doorvertellen……. En deed het toch. Ha ja, waarom had ze het anders gevraagd?
Op zekere dag in november vonden de kinderen ’s morgens de verpleegster in huis. Waar waren papa en mama? In het ziekenhuis. Het was nog wachten tot vèr na het middagmaal eer ze het grote nieuws hoorden: een zusje! Boontje was èrg teleurgesteld, hij had zò op een broertje gehoopt!!!
Ze beschouwde Bietje nog lang als haar baby, inzoverre voorbijgangers haar vroegen, kan dat kind nog niet lopen?
Koekske en Steentje trokken dagelijks samen naar school. Koekske keerde op een dag buiten adem terug naar huis: mama, mama, Steentje kan de R zeggen!
Steentje plaatte namelijk al jalen met de L in plaats van met de R..
Op de koer leerden ze op een grote damesfiets rijden. Kleine rondjes, steun zoekend bij de betonnen platen rondom.
Ze leerden vliegen, probeerden het steeds opnieuw. En steeds weer dachten ze: nu lukt het! Helaas, langer dan een paar seconden haalden ze niet.
Of ze speelden schooltje in het kot.
Of kokenetentje.
Speelden met de mieren.
Touterden in de kersenboom.
Speelden verstoppertje in het pas gemaaide gras.
Spanden koorden op de koer en speelden doolhofje.
Of tikkertje van de grond.
Met bakken water op de koer, als het héél warm was…
Maakten tekeningen op basis van een paar krabbels. Een passerende pater leerde hen dat.
Speelden met de kinderwagen, den bak, zaten er zelf in.
Lagen in het gras en keken naar de wolken.
Dood of levend met de bal, tot grote spijt van Koekske die niet meer levend werd gemaakt. Maar dat was pas later.
Of in de winter samen met Konstantijn en soms met Zabrila: Pierre noemt Pol;
Speelden kaart – wiezen - met zes;
Samen zongen ze in stemmen,
Speelden piano en mandoline….
Het was een mooie, onbezorgde tijd.
















2 Comments:
Ha, dat ei is er dan eindelijk toch uitgekomen! Een mooi begin trouwens, jouw sprookje...
Mag ik dan vanaf heden elke dag een "verhaaltje voor het slapengaan" alsjeblieft? ;-) Over het verleden, het heden of de toekomst, dat maakt niet uit... Ik zal sowieso toch regelmatig "op bezoek" komen op dit blog en ben er zeker van dat dit telkens een aangename bezigheid zal zijn. Dus : van harte welkom zussie!
Beste Diefje,
Ik heb geprobeerd te reageren op jouw blog, of hoe noemt dat ding. Helaas, ik moest daar van alles intypen en toen ik dat had gedaan verscheen er van alles over foute paswoorden en zo...
Dus daarom mijn eerste reactie hier op jouw e-mail adres. Ik heb heerlijk gesnoept van jouw schrijfsel. Ik heb moeten lachen met de (eigenlijk intrieste) passages van jullie kolonievakantie aan zee. Ik herkende de kazuifeldragende (meestal stinkende) pastoors met hun rug naar het plebs. Ik huiverde bij de gedachte van de zonde van het niet nuchter zijn voor de hostie. En ik voelde mee met jouw vreugde(tje)s en verdriet(jes). Maar vooral Diefje, je hebt me ontroerd met jouw ei. Mooi geschreven en zo lekker uit het hart.
Het Beste
Konijn
Een reactie posten
<< Home